En Mijn Reis
Mijn pad was niet recht, en mijn leven was verre van gemakkelijk. Toch bereidde elke stap, elke wond en elk moment van verlies mij stilletjes voor op een dag die ik nog niet begreep.
Als kind kende ik mijn ouders nauwelijks. Ze gingen vroeg uit elkaar, en op mijn elfde kwam ik in een weeshuis terecht. School was moeilijk, en ik voelde me nergens echt thuis.
Op mijn veertiende verhuisde ik van Suriname naar Nederland om bij mijn vader te wonen. Een nieuw land, een nieuwe omgeving — maar vanbinnen was ik nog steeds dat stille kind, met vragen die geen antwoord hadden.
Op mijn twintigste ging ik het huis uit. Werk hield niet lang stand. Ik leefde van een uitkering en hield mezelf voor dat ik vrij was — maar in werkelijkheid dreef ik richtingloos rond.
Op mijn tweeëntwintigste werd ik dakloos. Ik sliep waar ik kon — bij familie, vrienden, op banken, op tijdelijke plekken, en soms zelfs op straat. De nachten waren lang. Je leert hoe klein de wereld kan aanvoelen wanneer je geen deur hebt om achter je te sluiten.
Toch gaf iets in mij niet op. Ik pakte kleine baantjes aan wanneer ik kon. Langzaam, stap voor stap, kreeg mijn leven weer vorm.
Op mijn tweeëndertigste had ik eindelijk een eigen plek.
Niet lang daarna kwam een jong meisje dat veiligheid nodig had in mijn leven. Ik had weinig, maar ik wist wat het betekende om je alleen te voelen — dus koos ik ervoor haar in huis te nemen. Ik was nooit vader geweest, maar het leven maakte me er een.
Op mijn veertigste kocht ik mijn eerste huis. Voor iemand die ooit nergens naartoe kon, voelde dat als genade.
In april 2013, rond een uur 's nachts, nam ik een telefoontje aan — en zag ik drie mannen in het wit voor me staan. Vanaf dat moment begonnen de visioenen.
Ze gingen over mensen. Over de wereld. Over dingen voorbij het gewone leven.
In die visioenen brak mijn hart vaak. Ik zag bloed, dood en onnodig geweld in de wereld. Ik zag rampen, lijden, conflict en grote onrust onder de naties. Ik zag angst, verlies en verdriet over de hele aarde. Sommige beelden waren zo zwaar dat ik soms bang was om te slapen.
Sommige dromen herhaalden zich. Andere gingen verder als verhalen die nog niet waren afgelopen. Er waren nachten dat ik huilend wakker werd.
"Dit is het plan van God. Je moet doen wat je moet doen.
En je weet wat je moet doen.
Je kunt hier niet van weglopen, noch je ervoor verbergen.
Doe wat je moet doen — en vertrouw, want dit is het plan van God."
In 2015 zag ik online een video van iemand die genezing op straat deed. Mijn eerste gedachte was: "Ja, tuurlijk." Op dat moment had ik pijn in mijn nek. Ik dacht: "Ik heb niets te verliezen."
Ik legde mijn hand op mijn nek en zei: "In naam van God, pijn, verdwijn." Ik wilde het niet geloven — maar de pijn was weg.
Vanaf dat moment merkte ik dat wanneer ik voor mensen bad en mijn handen op hen legde, sommigen verlichting ervoeren. Ik heb nooit geloofd dat het mijn kracht was. Ik was slechts een mens. Maar er werkte iets groters door mij heen.
Toen ik mijn visioenen deelde, lachten velen. Sommigen keerden zich af. Dat deed pijn — niet omdat ze twijfelden, maar omdat ik leerde hoe eenzaam een roeping kan aanvoelen.
In oktober 2025 droomde ik van een witte duif die voor me danste en boog. In de droom nam ik de duif mee naar huis. Het voelde als vrede. Als bevestiging.
Een week later verschoof er iets in mij. Alles wat ooit als losse stukjes voelde, vormde één pad.
Dat was het moment waarop mijn missie begon.
Dit is geen verhaal van grootsheid.
Het is het verhaal van een leven dat viel, opstond en leerde luisteren.
Want licht wordt niet altijd geboren in paleizen.
Soms ontwaakt het in iemand die alles heeft verloren — behalve de ziel.
En daarom schrijf ik niet veel over mezelf —
want dit boek gaat niet over mij, maar over het Licht dat mij droeg.